Papyrus 64 en 67

Gepubliceerd op 25 juni 2026 om 10:39

Wat is Papyrus 64 en 67? en waarom horen ze samen?

Dit is Papyrus 64/67 (de Magdalen-papyri) en de tekst is geschreven in het Grieks, niet in de taal van Jezus (Aramees).

In 1901 kocht de Britse geestelijke Charles Bousfield Huleatt drie piepkleine papyrussnippers van een antiekhandelaar in Luxor, Egypte. Hij zag dat er Griekse tekst uit Mattheüs 26 op stond en schonk ze aan het Magdalen College in Oxford. Deze snippers kregen uiteindelijk het registratienummer Papyrus 64. Ruim vijftig jaar later, in 1956, doken er via een heel andere antiekroute in Egypte plotseling twee andere fragmenten op. Deze grotere stukken bevatten tekst uit Mattheüs 3 and 5. Ze werden aangekocht door een stichting in Barcelona en kregen de registratienaam Papyrus 67. Niemand wist op dat moment nog dat er een link was met de snippers in Oxford (papyrus 64).

De grote doorbraak kwam door de Britse papyroloog Colin H. Roberts. Hij bestudeerde in 1953 Papyrus 64 nauwkeurig en publiceerde er foto's van. Toen de Spaanse wetenschapper Ramón Roca-Puig in 1962 zijn nieuwe vondst (Papyrus 67) daarnaast legde, viel het kwartje:

  • Het handschrift (de specifieke manier waarop de Griekse letters waren geschreven) was exact identiek.
  • De vezelstructuur en de kleur van het papyrus kwamen 100% overeen.
  • De lay-out (twee kolommen per pagina met evenveel letters per regel) was exact gelijk.

 

Paniek! De wereld mag niet weten dat de huidige Christelijke Bijbel niet van Jezus komt!

Roberts onderzocht de drie snippers van Papyrus 64 in Oxford [1]. Hij legde ze naast honderden andere antieke documenten waarvan de datum wél exact bekend was (zoals officiële Romeinse belastingbrieven of gedateerde zakelijke contracten uit Egypte). Hij keek daarbij heel specifiek naar de schrijfstijl, de zogeheten Biblical Uncial (een speciaal soort statig Grieks hoofdletterschrift). Zijn conclusie was helder: de specifieke vorm van de letters (zoals de alfa, de epsilon en de mu) paste perfect bij de schrijvershanden uit het derde kwart van de tweede eeuw (ca. 150–175 n.Chr.). Toen in 1956 de Spaanse fragmenten (Papyrus 67) werden ontdekt en in 1962 definitief aan het Oxford-manuscript werden gekoppeld, bevestigde dit de datering van Roberts alleen maar extra. De lay-out en de boekvorm (de codex) lieten geen enkele andere ruimte. De geschiedenis van dit manuscript stond dus al ruim veertig jaar rotsvast in alle academische handboeken, 150–175 n.Chr. was dus al geaccepteerd voor ruim 40 jaar!

Op 24 december 1994 (met Kerst, willen de Christenen maar al te graag geloven in deze fraude) publiceerde de Britse kwaliteitskrant The Times een gigantisch voorpagina-artikel. De kop schreeuwde dat het absolute bewijs was gevonden dat het Evangelie van Mattheüs was geschreven toen de ooggetuigen van Jezus nog leefden. De Duitse papyroloog Carsten Peter Thiede claimde dat hij Papyrus 64/67 met een nieuwe microscopische techniek had onderzocht. Zijn conclusie: het fragment stamde niet uit ca. 150-175 n.Chr., maar uit het jaar 70 n.Chr. (of zelfs nog iets eerder). Een datering rond het jaar 60-70 n.Chr. zou betekenen dat het Mattheüs-evangelie is opgeschreven binnen één generatie na de kruisiging van Jezus. Dit zou de traditionele christelijke claim dat de evangeliën directe ooggetuigenverslagen zijn, materieel ondersteunen.

 

Deze leugen werd direct de kop ingedrukt!

De academische wereld reageerde direct met felle kritiek. Experts in antieke handschriften (paleografen) maakten gehakt van Thiede's publicatie. Hij werd beschuldigd van pure pseudowetenschap en vooringenomenheid.

Dit waren de harde bewijzen waarom Thiede de plank volledig missloeg:

  • Verkeerd vergelijkingsmateriaal: Thiede vergeleek het handschrift van Papyrus 64/67 met Griekse teksten die waren gevonden in Herculaneum (die dateren van vóór 79 n.Chr.). Top-paleografen toonden aan dat de letters op Papyrus 64/67 wezenlijk verschilden en juist wél exact overeenkwamen met de 'stijl' van documenten uit de late tweede eeuw.
  • Het bewijs van de Codex: Papyrus 64/67 was, zoals we eerder zagen, aantoonbaar een bladzijde uit een codex (boekvorm). In het jaar 60-70 n.Chr. bestonden er simpelweg nog geen christelijke codices; destijds schreef iedereen in de Romeinse en Joodse wereld uitsluitend op lange boekrollen. De codex-vorm won pas diep in de tweede eeuw aan populariteit onder christenen.
  • Theologische agenda: Thiede werkte voor een conservatief-christelijk onderzoeksinstituut. Wetenschappers toonden aan dat hij de data bewust had gemanipuleerd en claims overdreor om te voldoen aan de theologische dogma's van zijn achterban.

Vandaag de dag speelt de claim van Thiede in de serieuze wetenschap geen enkele rol meer. Het wordt in universitaire handboeken genoemd als een waarschuwend voorbeeld van hoe religieuze dogma's de objectieve archeologie kunnen vertroebelen. Papyrus 64/67 staat in de officiële registers nog altijd stevig verankerd op de periode 150–175 n.Chr.

 

Wat we besproken hebben zover, laat zien dat de Christenen tot 175 NA Jezus nog steeds geen complete Bijbel hadden:

Wat leren deze drie puzzelstukjes ons tot nu toe?

Als we deze drie oudste vondsten als één ketting bekijken, laten ze drie fundamentele historische waarheden zien over het ontstaan van het christendom:

  • Geen kant-en-klaar boek: Tot ver in de tweede eeuw bezaten christenen geen 'Nieuw Testament'. De Schriften bestonden louter uit losse, handgemaakte schriftjes (codices) die onafhankelijk van elkaar circuleerden.
  • De materiële leegte: Er is een gapend gat van bijna een eeuw tussen het optreden van Jezus en ons alleroudste fysieke bewijs. De boodschap werd decennialang puur mondeling overgedragen, wat de tekst inherent 'vloeibaar' maakte.
  • Menselijke inmenging: Zodra de teksten op papier werden gezet, begon direct het proces van aanpassen, harmoniseren en overschrijffouten maken (zoals we live zien bij het ontbrekende vers in Papyrus 104 en de slordigheden in latere handschriften).

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.