Papyrus 104

Gepubliceerd op 25 juni 2026 om 10:39

Dit is Papyrus 104 en de tekst is geschreven in het Grieks, niet in de taal van Jezus (Aramees).

In de tijd van Jezus (Isa) bestond er geen vaste Thora. Er circuleerden verschillende, afwijkende tekstversies kriskras naast elkaar. Toen de vroege christenen de boodschap van Jezus gingen opschrijven, herhaalde de geschiedenis zich op exact dezelfde wijze. Er was geen kant-en-klaar boek.

Dit hebben we in ons vorige artikel bewezen met de absolute nummer één op de wereldranglijst van archeologische Bijbelvondsten: Papyrus 52 (P^52).

Wat vertelt Papyrus 52 ons in een notendop?

  • Het is een snipper: Het alleroudste stukje Nieuw Testament op aarde is geen complete Bijbel, maar een zwaar beschadigd fragment ter grootte van een pinpas (ca. 125 n.Chr.).
  • Slechts één hoofdstuk: Het bevat enkel 5 losse verzen uit het Evangelie van Johannes (hoofdstuk 18). Van de rest van het Nieuwe Testament is in deze vroegste periode materieel geen spoor.
  • Het geheim van de Codex: Omdat de snipper aan beide kanten is beschreven, weten we dat het uit een codex (een ingebonden schriftje) komt. Dit bewijst dat het christendom begon met losse, onafhankelijke boekjes die los van elkaar rondzwierven. De christen die dit las, had geen flauw idee van het bestaan van de andere evangeliën of een 'Nieuw Testament'.

Kortom: de christelijke Schrift begon — net als de Thora — als een vloeibaar landschap van losse, menselijk gekopieerde flarden.

En dat brengt ons direct bij de aller-eerstvolgende chronologische vondst in de geschiedenis, waar we live een voorbeeld zien van menselijke tekstmanipulatie: Papyrus 104:

 

Wat is Papyrus 104?

  • De Ontdekking: Het fragment werd in 1897 opgegraven door de Britse archeologen Grenfell en Hunt.
  • De Vindplaats: Wederom de legendarische, gortdroge antieke vuilnisbelt van de Egyptische stad Oxyrhynchus (vandaag bekend als El-Bahnasa).
  • Huidige Locatie: Het wordt vandaag de dag streng bewaard in de Sackler Library in Oxford (Verenigd Koninkrijk).
  • De Datering: Experts in antieke handschriften (palaeografen) dateren het fragment in de tweede helft van de tweede eeuw, rond ca. 150 n.Chr.
  • De Grootte: Net als Papyrus 52 is het microscopisch klein. Een zwaar beschadigd, gerafeld stukje papyrus van amper 6,3 bij 9,5 centimeter. Wederom exact de grootte van een pinpas.

 

Wat is de inhoud van Papyrus 104?

Papyrus 104 is de alleroudste fysieke getuige van het Evangelie van Mattheüs. Omdat het aan beide kanten is beschreven met grote Griekse letters, weten we dat dit een bladzijde was uit een vroeg, handgeschreven christelijk schriftje. Het bevat een deel van Mattheüs hoofdstuk 21: de bekende gelijkenis van de boze wijngaardeniers (de pachters die de knechten en uiteindelijk de zoon van de landheer vermoorden om de erfenis te stelen).

De Voorkant (Recto) — Mattheüs 21:34-37: Bevat de passage waarin de landheer uiteindelijk zijn zoon stuurt: "...Ten slotte stuurde hij zijn zoon naar hen toe, want hij zei: 'Zij zullen schroom hebben voor mijn zoon.'"

De Achterkant (Verso) — Mattheüs 21:43 en 45: Bevat de harde conclusie van Jezus tegen de elite: "...En toen de overpriesters en de Farizeeën zijn gelijkenissen gehoord hadden, begrepen zij dat Hij over hen sprak."

 

Wat is het Christelijke verhaal achter deze passage, in een notendop?

Jezus vertelt over een rijke landheer die een prachtige wijngaard aanlegt. Hij verhuurt deze wijngaard aan een aantal pachters (de wijngaardeniers) en vertrekt zelf naar het buitenland. Wanneer de oogsttijd aanbreekt, stuurt de landheer zijn knechten om zijn deel van de opbrengst op te halen. Maar de pachters zijn boosaardig: ze grijpen de knechten, slaan de één in elkaar en stenigen de ander. De landheer stuurt nog een keer een grotere groep knechten, maar de pachters doen precies hetzelfde. Dan besluit de landheer zijn allerlaatste troef in te zetten. Hij denkt: "Als ik mijn eigen zoon stuur, zullen ze wel respect tonen." Dit is exact de zin die fysiek op Papyrus 104 staat geschreven:

"...Ten slotte stuurde hij zijn zoon naar hen toe, want hij zei: 'Zij zullen schroom (respect) hebben voor mijn zoon.'"

Maar de pachters zien de zoon aankomen en denken egoïstisch: "Kijk, dat is de erfgenaam! Als we hem vermoorden, is de hele wijngaard en de erfenis van ons!" Ze sleuren de zoon de wijngaard uit en vermoorden hem.

Iedereen in die tijd begreep direct de symboliek die Jezus hier gebruikte:

  • De Landheer is God.
  • De Wijngaard is de wereld / het volk Israël.
  • De boosaardig pachters / de wijngaardeniers: De Israëlieten / De Joden 
  • De Knechten zijn de eerdere profeten (zoals Johannes de Doper, Jesaja, Jeremia) die door de eeuwen heen door de elite werden afgewezen en vervolgd.
  • De Zoon is Jezus zelf.

Jezus voorspelt met dit verhaal dus letterlijk zijn eigen naderende dood. Hij beschuldigt de religieuze leiders (de Joodse overpriesters en Farizeeën, Joden) ervan dat zij de profeten hebben gedood en nu ook op het punt staan om hem — de laatste gezant — te vermoorden om hun eigen macht te behouden.

 

Papyrus 104 zegt: Joden zijn niet de onvoorwaardelijk kinderen van God

Dit verhaal eindigt in vers 43 met de waarschuwing van Jezus dat God de wijngaard (het Koninkrijk) zal afpakken van deze Joden en aan een ander volk zal geven.  En direct daarna — op de plek waar later door mensen vers 44 is tussen gepropt ("wie op deze steen valt zal verpletterd worden") — zie je hoe de vroege christelijke schrijvers de tekst wilden verzwaren. De gelijkenis over de vermoorde zoon vonden ze blijkbaar nog niet dreigend genoeg; ze voelden de menselijke behoefte om er een extra oordeelsuitspraak aan toe te voegen die oorspronkelijk uit het Evangelie van Lucas kwam. Dus we zien hier de eerste harde bewijzen van fraude / aanpassen / veranderen / aanvullen enz. 

 

Terug naar de inhoud van Papyrus 104:

Nu komt de absolute klap voor de Christenen, voor de claim dat de evangeliën vanaf de eerste dag "onveranderd" zijn gebleven. Als je vandaag een moderne Bijbel openslaat (of het nu de Herziene Statenvertaling of de NBV21 is), dan zie je dat er tussen vers 43 en vers 45 nog een heel vers staat: Mattheüs 21:44. Dit vers luidt: "En wie op deze steen valt, zal verpletterd worden; en op wie hij valt, die zal hij vermalen."

Wanneer textuele wetenschappers Papyrus 104 microscopisch gaan analyseren en de letters gaan tellen om te kijken hoeveel tekst er op de missende, afgebroken delen van de bladzijde paste, stuiten ze op een harde wiskundige realiteit: Er is fysiek absoluut geen ruimte voor vers 44 op deze bladzijde. De tekst springt op Papyrus 104 van het einde van vers 43 direct over naar het begin van vers 45. Vers 44 bestond simpelweg nog niet in het jaar 150 n.Chr.! Sterker nog, als je moderne Bijbels pakt en vers 44 hardop weglaat, zul je merken dat de tekst ineens veel vloeiender en logischer doorloopt. Lees maar zelf:

Vers 43 (Jezus spreekt tegen de priesters): "Daarom zeg Ik u, dat het Koninkrijk van God van u weggenomen zal worden, en gegeven zal worden aan een volk dat de vruchten daarvan voortbrengt."

Direct hierna komt de reactie van de luisteraars:

Vers 45 (De reactie): "En toen de overpriesters en de Farizeeën Zijn gelijkenissen gehoord hadden, begrepen zij dat Hij over hen sprak."

Als je vers 44 er nu tussen propt, wordt de logische lijn plotseling onderbroken door een metafoor over een vallende steen:

Vers 43: "...gegeven zal worden aan een volk dat de vruchten daarvan voortbrengt."
Vers 44 (De toevoeging): "En wie op deze steen valt, zal verpletterd worden; en op wie hij valt, die zal hij vermalen."
Vers 45: "And toen de overpriesters... begrepen zij dat Hij over hen sprak."

Vers 44 slaat taalkundig de plank mis in deze context. Jezus praat in de verzen daarvóór over een wijngaarden over vruchten. Vers 44 begint plotseling over een vallende steen die mensen vermaalt. Dat hoort daar logisch gezien helemaal niet thuis; het onderbreekt de directe reactie van de Farizeeën in vers 45. In het jaar 150 n.Chr. kenden ze geen versnummers, geen hoofdstukken, geen alinea's en zelfs geen spaties of leestekens (zoals punten of komma's). Dit fenomeen heet Scriptio Continua (doorlopend schrift).

 

Wanneer zijn dan de Hoofdstukken en de verzen toegevoegd?

Stephen Langton: De man van de Hoofdstukken (ca. 1205 n.Chr.)

Langton was een Engelse theoloog en professor aan de Universiteit van Parijs (en werd later de aartsbisschop van Canterbury). Rond het jaar 1205 werd hij gek van de verwarring in de collegezalen. Iedere student en leraar had handgeschreven Latijnse Bijbels bij zich waarin tekstblokken telkens anders waren ingedeeld. Om het citeren en opzoeken makkelijker te maken, nam hij de hele Bijbel (van Genesis tot en met de Openbaring) en deelde alle boeken op in de hoofdstukken zoals we die vandaag de dag nog steeds exact gebruiken. 

 

Robert Estienne: De man van de Verzen (1551 n.Chr.)

De hoofdstukken van Langton waren een succes, maar de lappen tekst per hoofdstuk waren nog steeds erg groot. Er doken door de eeuwen heen verschillende experimenten op om zinnen te nummeren. Pas in 1551 voerde de Franse drukker Robert Estienne (ook bekend als Stephanus) de definitieve verstelling in voor het complete Nieuwe Testament. Hij deed dit in zijn gedrukte editie van het Grieks-Latijnse Nieuwe Testament. In 1553 bracht hij een Franse Bijbel uit, en in 1555 een Latijnse Bijbel, waarin voor het eerst de gehele Bijbel (Oude én Nieuwe Testament) was voorzien van de vaste hoofdstukken van Langton én de genummerde verzen van hemzelf. 

De schrijver van Papyrus 104 in het jaar 150 n.Chr. had geen flauw idee wat 'hoofdstuk 21' of 'vers 44' was. Hij schreef in één ononderbroken letterstroom (Scriptio Continua). 

 

In de klassieke oudheid (bijvoorbeeld bij Griekse en Romeinse schrijvers zoals Homerus of Aristoteles) werden teksten soms al verdeeld in 'boeken' of genummerde regels. Maar voor de christelijke Bijbel waren Stephen Langton (hoofdstukken) en Robert Estienne (verzen) inderdaad de absolute pioniers die het systeem hebben ingevoerd dat we vandaag de dag universeel gebruiken.

1. Voor de christelijke Bijbel: JA

Vóór Stephen Langton (13e eeuw) was de christelijke Bijbel één grote, onoverzichtelijke letterbrij. Er waren door de eeuwen heen wel vage pogingen gedaan door monniken om teksten in secties te verdelen (zodat ze wisten welk stuk ze moesten voorlezen in de kerk), maar er was geen enkele eenheid.

Langton voerde de hoofdstukken in voor de gehele Latijnse Bijbel. Estienne deed hetzelfde in de 16e eeuw voor de verzen. Hun systeem was zo handig dat het direct werd overgenomen in alle talen (Nederlands, Engels, Duits, enz.). Sinds de 16e eeuw is er geen Bijbel meer gedrukt zonder hun hoofdstukken en verzen.

2. Hoe zat het met de Joodse Tenach?

De Joodse traditie had voor de Hebreeuwse Bijbel (het Oude Testament) al heel vroeg een eigen systeem om teksten op te splitsen voor wekelijkse voorlezingen in de synagoge (de zogenaamde Parashot). Ook kenden de Masoreten in de middeleeuwen al een systeem van zinsbeëindiging (het Sof Pasuq-teken).

Maar toen de christelijke boekdrukkers in de 16e eeuw de Bijbel massaal gingen drukken met de verzen van Robert Estienne, was dat systeem zo revolutionair en makkelijk om teksten terug te vinden, dat zelfs de Joodse rabbijnen de hoofdstuk- en versnummering van deze christelijke professoren uiteindelijk hebben overgenomen in hun eigen Hebreeuwse Bijbeluitgaven!

 

Hoe verklaren wetenschappers vers 44?

Dit is een schoolvoorbeeld van een latere menselijke tekstaanpassing. In het Evangelie van Lucas (hoofdstuk 20:18) staat deze uitspraak over de verpletterende steen wél van origine. Eeuwen later hebben christelijke kopiisten die het Evangelie van Mattheüs aan het overschrijven waren, deze zin uit Lucas herinnerd. Ze dachten: "Hé, dat past hier bij Mattheüs ook wel mooi tussen." Ze hebben de zin met hun eigen hand in de tekst van Mattheüs geduwd om de twee verschillende boeken kunstmatig te harmoniseren. Papyrus 104 laat ons dus de tekst zien voordat er met de tekst werd geknoeid. Het bewijst dat de originele versie van Mattheüs simpelweg geen vers 44 had. In het jaar 150 n.Chr. kenden ze geen versnummers, geen hoofdstukken, geen alinea's en zelfs geen spaties of leestekens (zoals punten of komma's). Dit fenomeen heet Scriptio Continua (doorlopend schrift).

Toen de eerste moderne vertalers in de 16e en 17e eeuw (zoals de makers van de Statenvertaling) de Bijbel gingen vertalen, gebruikten zij de toen beschikbare middeleeuwse manuscripten waarin de fout al eeuwenlang was ingebakken. Pas door archeologische vondsten zoals Papyrus 104 in de 20e eeuw, werd deze historische aanvulling ontdekt. Maar Koran waarschuwt ons al sinds 610 voor de vervalsing van de Torah en de Christelijke Bijbel en Koran spreekt specifiek over de "schrijvers" van deze boeken. 

 

"O Mensen van de Schrift! Waarom kleden jullie de waarheid aan met de valsheid en verbergen jullie de waarheid tegen beter weten in?"
Surah Ali 'Imran (3), vers 71

"Onder de Joden zijn er die de woorden uit hun context halen..."
Surah An-Nisa (4), vers 46 (en herhaald in Surah Al-Ma'idah (5), vers 13)

"En voorwaar, onder hen is er een groep die de Schrift met hun tongen verdraait, zodat jullie denken dat het uit de Schrift komt, terwijl het niet uit de Schrift komt..."
Surah Ali 'Imran (3), vers 78

"Wee dan degenen die de Schrift met hun eigen handen schrijven en vervolgens zeggen: 'Dit komt van Allah', om het te verkopen voor een geringe prijs..."
Surah Al-Baqarah (2), vers 79

 

Dit theologische startpunt van de islam sluit daarmee opmerkelijk aan bij wat de moderne, seculiere tekstkritiek en archeologie pas in de 19e en 20e eeuw met fysieke bewijzen uit de grond hebben gegraven.

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.