Dit is Papyrus 32 en de tekst is geschreven in het Grieks, niet in de taal van Jezus (Aramees).
Papyrus 32 stevig gedateerd rond 175 n.Chr. Het is de alleroudste fysieke getuige van de brieven van de apostel Paulus (specifiek de brief aan Titus).
Net als de eerdere fragmenten is dit een microscopisch klein, aan beide kanten beschreven stukje papyrus dat werd opgegraven op de antieke vuilnisbelt van Oxyrhynchus (El-Bahnasa, Egypte). Het bevindt zich vandaag de dag in de Sackler Library in Oxford.
Papyrus 32 leert ons drie dingen:
1. De brieven van Paulus circuleerden nog als losse flarden
Vóór de ontdekking van Papyrus 32 dachten sommige theologen dat de brieven van Paulus vanaf het begin direct als één dik, heilig verzamelboek werden uitgegeven. Papyrus 32 doorbreekt die aanname.
- Wat leert ons dit? Dit fragment bewijst dat de brieven aan het einde van de tweede eeuw nog steeds als kleine, onafhankelijke boekjes (codices) her en der rondzwierven. De christen die dit specifieke schriftje met de brief aan Titus las, had op dat moment waarschijnlijk geen flauw idee van de vier evangeliën of de rest van het Nieuwe Testament. Het landschap van christelijke geschriften was nog volledig versnipperd.
2. Het bewijs van theologische aanpassingen:
Wanneer tekstwetenschappers de Griekse letters op Papyrus 32 microscopisch vergelijken met de latere middeleeuwse standaardbijbels (zoals de Statenvertaling of de NBV21), stuiten ze op een directe menselijke verandering in de tekst (Titus 2:7).
- De latere standaardbijbel: Paulus roept Titus op om een voorbeeld te zijn in goede werken en in de leer "onverdorvenheid" (Grieks: aphthoria) te tonen.
- De variant in Papyrus 32: De vroege kopiist schreef hier niet het woord voor onverdorvenheid, maar veranderde het subtiel in "vrijgevigheid / zonder afgunst" (Grieks: aphthonian).
- Wat leert ons dit? De vroege christelijke kopiisten pasten de brieven van Paulus handmatig aan om ze beter te laten aansluiten bij de ethische en filosofische taal van hun Grieks-Romeinse omgeving. Woorden werden vervangen en theologische accenten werden verschoven op basis van het inzicht van de menselijke schrijver.
3. De transitie naar grotere boeken was in gang gezet
Hoewel Papyrus 32 een los fragment is, heeft wiskundig onderzoek naar de bladzijdestructuur en de marges iets heel interessants aangetoond: deze specifieke pagina was waarschijnlijk net iets te groot om alleen de korte brief aan Titus te bevatten.
- Wat leert ons dit? Het is het allereerste, prille materiële bewijs van een zogeheten multi-text codex. Dit betekent dat christenen rond het jaar 175 n.Chr. voor het eerst begonnen te experimenteren met het samenbinden van een paar brieven van Paulus in één schriftje. Het is de allereerste materiële babystap richting een verzameling, hoewel het nog dik 150 jaar zou duren voordat hier een complete Bijbel uit zou ontstaan.
Met Papyrus 32 sluiten we het tijdperk van de tweede eeuw af. De harde archeologische balans tot het jaar 175/200 n.Chr. is nu compleet:
- Geen complete Bijbel.
- Geen vastgesteld Nieuw Testament.
- Louter losse, handgeschreven snippers
- Volop menselijke fouten, harmonisaties en tekstveranderingen.
De 5 Vormen van Menselijke Editing in de Vroege Papyri
In de eerste 150 jaar na de dood van Jezus was er geen centrale drukkerij of een onfeilbare controle. De tekst lag in de handen van individuele, feilbare mensen. Dat leidde tot de volgende vormen van tekstverandering:
1. Bewuste Tekstvervalsing en Toevoeging (Fraude)
- Het Bewijs: Papyrus 104 (ca. 150 n.Chr.).
- De Ingreep: Op deze oudste bladzijde van Mattheüs ontbreekt vers 21:44 ("wie op deze steen valt..."). Latere christelijke schrijvers hebben deze heftige oordeelsuitspraak handmatig uit het Evangelie van Lucas overgeschreven en in Mattheüs gepropt om de tekst theologisch zwaarder en dreigender te maken.
2. Het Gladstrijken van Logische Fouten
- Het Bewijs: Papyrus 4 (ca. 150–175 n.Chr.).
- De Ingreep: In Lucas 1:62 maken de buren gebaren naar de priester Zacharias. Maar Zacharias was door de engel alleen stom gemaakt, niet doof. De kopiist van Papyrus 4 zag deze logische blunder in de tekst en paste het Griekse werkwoord eigenhandig aan van "gebaren maken" naar "vragen", om de fout van de oorspronkelijke auteur stilletjes te corrigeren.
3. Tekstharmonisatie (Verhalen Gelijkmaken)
- Het Bewijs: Papyrus 4 (ca. 150–175 n.Chr.).
- De Ingreep: In de discussie met de Farizeeën over het plukken van koren op sabbat (Lucas 6:2), voegt de schrijver van Papyrus 4 handmatig de woorden "terwijl u ze fijn wrijft met uw handen" toe aan de mond van de Farizeeën. Hij kopieerde dit detail uit het voorgaande vers om het verhaal vloeiender en dramatischer te laten doorlopen.
4. Modernisering van de Morele Taal
- Het Bewijs: Papyrus 32 (ca. 175 n.Chr.).
- De Ingreep: In de brief aan Titus (2:7) verving de kopiist het theologische en abstracte woord "onverdorvenheid" (aphthoria) door het woord "vrijgevigheid" (aphthonian). De menselijke schrijver paste de tekst van Paulus dus aan naar de ethische cultuurtaal van zijn eigen Grieks-Romeinse omgeving.
5. Onbewuste Slordigheden en Schrijffouten
- Het Bewijs: Papyrus 66 (ca. 200 n.Chr., de grote omslag vlak na deze tabel).
- De Ingreep: Dit vroege Johannesevangelie zit zó vol met honderden haastfouten, overgeslagen woorden en slordige correcties in de kantlijn, dat het glashelder bewijst dat de overdracht van de tekst mensenwerk was, inclusief alle vermoeidheid en concentratiegebrek die daarbij horen.
De Conclusie van de Tweede Eeuw
Al deze archeologische feiten sluiten naadloos aan bij de theologische waarschuwingen die later in de geschiedenis, zoals in de Koran (610 n.Chr.), naar voren werden gebracht over het menselijk veranderen en bijschrijven van de Schrift (Tahrif). De claim dat het Nieuwe Testament vanaf de eerste dag een "onveranderd en intact ooggetuigenverslag" was, wordt door de fysieke snippers in deze tabel volledig weerlegd. De Schrift begon als een vloeibaar landschap van losse, menselijk bewerkte flarden.
Reactie plaatsen
Reacties